In een inmiddels twee jaar oud arrest (van 20 september 2022) heeft het Hof Arnhem – Leeuwarden kort samengevat overwogen dat het opleggen van vergrijpboetes moet worden beschouwd als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM. Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad betekent deze vaststelling dit dat de waarborgen van artikel 6 EVRM, en de waarborgen van artikel 47 en 48 van het Handvest van de EU, van toepassing zijn op vergrijpboetes. Het hof komt tot het oordeel dat de belanghebbende, op het moment dat zij als verdachte (potentiële boeteling die wordt verhoord) werd aangemerkt en de bestuurder van de belanghebbende de cautie kreeg, ook gewezen had moeten worden op haar recht op rechtsbijstand. Naar het oordeel van het Hof stond vast dat belanghebbende (en haar bestuurder) hier niet op was gewezen en was daarom sprake van een vormverzuim. Het gevolg hiervan was dat het Hof een aantal verklaringen buiten beschouwing liet waardoor opzet niet bewezen kon worden. Het gevolg hiervan was dat een deel van de vergrijpboetes niet in stand konden blijven.
Zowel belanghebbende als de staatssecretaris konden zich niet in dit oordeel vinden en besloten beiden in cassatie te gaan. De staatssecretaris heeft daarbij voorgesteld om advies te vragen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de vraag of in fiscale boetezaken moet worden gewezen op het recht op bijstand tijdens een verhoor.
Recentelijk heeft A-G Wattel conclusie genomen in deze procedure.
Het advies van A-G Wattel en de aan de orde zijnde zaak houden samengevat het volgende in.
De activiteiten van X bv omvatten de aan- en verkoop van tweedehandsauto’s in zowel binnen- als buitenland. Na een boekenonderzoek legt de inspecteur btw-naheffingsaanslagen met boetes op aan X bv. De inspecteur stelt namelijk dat er sprake is van btw-fraude. X bv zou volgens de inspecteur auto’s hebben geleverd aan ploffers in Hongarije, terwijl de auto’s feitelijk in Duitsland werden afgeleverd. X bv zou daarom geen recht hebben op het nultarief. X bv betwist de opgelegde boetes en stelt dat de door haar bestuurder afgelegde verklaringen buiten beschouwing moeten blijven, aangezien hij wel de cautie heeft gekregen, maar niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur terecht het nultarief heeft geweigerd. Met betrekking tot de boetes overweegt het hof dat de verklaringen van de bestuurder buiten beschouwing moeten blijven, omdat hij niet op het recht op rechtsbijstand is gewezen. Hierdoor heeft de inspecteur niet bewezen dat X bv opzettelijk handelde. Het Hof oordeelt nog wel dat er sprake is van grove schuld. Al met al acht het hof een boete van 25% passend en geboden.
Zowel X bv als de staatssecretaris gaan in cassatie. X bv stelt dat de weigering van het nultarief een ‘criminal charge’ is en dat het niet wijzen op het recht op rechtsbijstand ook gevolgen moet hebben voor de naheffingen. De staatssecretaris stelt dat het hof de verklaringen ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
A-G Wattel concludeert dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verklaringen van de bestuurder niet als bewijs voor de boetegrondslag kunnen dienen vanwege het niet wijzen op het recht op rechtsbijstand. A-G Wattel acht het daarbij (onder meer) van belang dat de bestuurder tijdens het tweede gesprek werd bijgestaan door de belastingadviseur van X bv. Ook merkt de A-G op dat minder vergaande maatregelen dan bewijsuitsluiting mogelijk zijn. A-G Wattel acht het cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond en adviseert de Hoge Raad om de zaak te verwijzen. Het voorstel van de staatssecretaris om de zaak naar het EHRM te verwijzen, acht de A-G op dit moment te prematuur. Ook merkt A-G Wattel op dat de weigering om het nultarief toe te passen geen ‘criminal charge’ is.
WIJZEN OP RECHT OP RECHTSBIJSTAND OOK BIJ FISCALE BOETEZAKEN?
COMMENTAAR:
Het advies van A-G Wattel bevestigt dat er nog immer relatief onontgonnen gebieden bestaan binnen het belastingprocesrecht. Hierbij kan onder meer inspiratie worden opgedaan uit concepten die gemeengoed zijn in het strafprocesrecht. Het zou voor de praktijk prettig zijn als het EHRM om advies wordt gevraagd over het recht op rechtsbijstand bij fiscale boetezaken. De vragen van belanghebbende of de weigering van het nultarief een criminal charge en of het recht op rechtsbijstand ook van toepassing is bij naheffingen zouden dan ook wellicht meegenomen kunnen worden. De A-G lijkt enkele vraagstukken weliswaar nieuw te vinden, maar acht het echter te vroeg om nu al de EHRM om antwoord te vragen op de opgekomen vraagstukken. A-G Wattel vindt het nodig om eerst nader onderzoek te (laten) doen door de (feitelijke) verwijzingsrechter.
BRON: Parket bij de Hoge Raad 26 april 2024, 22/04034, ECLI:NL:PHR:2024:457
NB: artikel reeds (eerder) gepubliceerd via fiscaal advies magazine