In een recente uitspraak heeft de Rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat de Belastingdienst ten onrechte een tweede informatiebeschikking heeft afgegeven aan een belastingplichtige over zijn bitcointransacties. De rechtbank oordeelde dat deze tweede beschikking betrekking had op dezelfde tekortkomingen als de eerste beschikking, die eerder al was vernietigd.
De mogelijkheid om een informatiebeschikking af te geven is geregeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Op grond van het eerste lid kan de inspecteur zo’n beschikking afgeven wanneer niet is voldaan aan de verplichtingen uit onder andere de artikelen 47 en 49 AWR. Artikel 52a is bedoeld als waarborg tegen het willekeurig toepassen van omkering en verzwaring van de bewijslast. Voordat die zware sanctie mag worden toegepast, moet de belastingplichtige de gelegenheid krijgen om bezwaar te maken tegen een formele informatiebeschikking. Pas als die beschikking onherroepelijk is geworden, mag de inspecteur de bewijslast omkeren. Bovendien verlengt de informatiebeschikking de termijn voor het opleggen van een aanslag zolang de bezwaar- of beroepsprocedure loopt.
In deze zaak speelde precies dat spanningsveld: mag de inspecteur een tweede informatiebeschikking afgeven als de eerste al is vernietigd wegens het onterecht inzetten van dat middel? In dit artikel ga ik hier nader op in.
De casus
Op 22 juli 2019 kondigde de Belastingdienst een boekenonderzoek aan bij X over de jaren 2016 t/m 2018. X leverde op 16 september 2019 een overzicht aan van gekochte bitcoins. De inspecteur vroeg op 24 september aanvullende informatie. X reageerde op 7 oktober, maar desondanks bleef de inspecteur aanvullende gegevens verlangen.
Op 6 november 2019 stelde de Belastingdienst een eerste informatiebeschikking vast. X maakte bezwaar, dat op 11 maart 2020 gegrond werd verklaard: de beschikking werd vernietigd.
Toch vroeg de inspecteur op 30 maart 2020 opnieuw om vrijwel dezelfde informatie. Volgens X had hij inmiddels alles overgelegd wat hij ter beschikking had. Niettemin volgde op 1 september 2020 een tweede informatiebeschikking. X maakte ook daar bezwaar tegen, maar tevergeefs. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond, waarop X beroep instelde bij de rechtbank.
De kern van het geschil
In beroep draaide het om de vraag of de Belastingdienst bevoegd was een tweede informatiebeschikking te geven, terwijl eerder al een eerste was afgegeven en vernietigd. Volgens de Belastingdienst zag de tweede beschikking op nieuwe, concretere vragen. Volgens X betrof het nog steeds dezelfde informatieverzoeken over de herkomst, het verloop en de verkoop van bitcoins.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgde het standpunt van X. Zowel de eerste als de tweede informatiebeschikking betroffen hetzelfde feitencomplex en dezelfde informatie: namelijk de wijze waarop X tussen 2016 en 2018 bitcoins had gekocht, bewaard en verkocht. Dat de tweede beschikking concreter was geformuleerd, maakte dit volgens de rechtbank niet anders. De rechtbank verwees daarbij expliciet naar het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1439), waarin is bepaald dat een inspecteur niet opnieuw een informatiebeschikking mag afgeven over dezelfde tekortkoming.
Herhaling van zetten door de fiscus niet toegestaan!
Commentaar
Deze uitspraak bevestigt dat de Belastingdienst zorgvuldig moet omgaan met zijn bevoegdheden bij het uitvaardigen van informatiebeschikkingen. Herhaald vragen naar dezelfde gegevens – zelfs als die in andere bewoordingen worden verpakt – kan niet leiden tot een nieuwe informatiebeschikking als eerder al zo’n beschikking over diezelfde materie is vernietigd.
Deze uitspraak onderstreept dat artikel 52a AWR niet alleen als instrument ten gunste van de inspecteur moet worden gezien, maar ook een belangrijke rechtsbeschermingsfunctie vervult voor de belastingplichtige. Ook benadrukt de uitspraak dat de informatieplicht van belastingplichtigen een inspanningsverplichting is en geen resultaatsverplichting.
Belastingplichtigen die geconfronteerd worden met herhaalde informatieverzoeken, doen er goed aan deze kritisch te beoordelen. Het is daarbij van belang te verwijzen naar de motieven en reikwijdte van eerdere verzoeken en beschikkingen. Deze uitspraak biedt daarvoor steun.
Bron: Rechtbank Noord – Holland, 10-12-2024, nr. HAA 22/1422, ECLI:NL:RBNHO:2024:14016
NB: Tevens (in aangepaste vorm) gepubliceerd in het Fiscaal Advies Magazine