Skip to main content
Formeel belastingrechtRedactioneel

Te hoge belastingrente!

By 15 december 2024juni 27th, 2026No Comments

In een recente uitspraak heeft de Rechtbank Noord-Nederland een opvallende beslissing genomen over de belastingrenteregeling bij vennootschapsbelasting (Vpb). De rechtbank oordeelde dat het belastingrentepercentage van minimaal 8%, zoals deze in de betreffende zaak van toepassing was, onverbindend is. Wat betekent deze uitspraak voor belastingplichtigen? Een nadere toelichting volgt hieronder.

Eerst kort de casus.

Op 15 juli 2023 legde de inspecteur van de Belastingdienst een voorlopige aanslag Vpb op aan een belastingplichtige onderneming voor het jaar 2021. Het belastbare bedrag bedroeg €4.034.204, met een berekende belastingrente van €90.969. De belastingplichtige diende op 27 juni 2023 de aangifte Vpb in en maakte bezwaar tegen de hoogte van de belastingrente. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna de zaak werd voorgelegd aan de rechtbank.

Het geschil richtte zich op de vraag of het belastingrentepercentage van 8% zoals vastgelegd in het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Belastingplichtige stelde dat:

  • Het percentage van 8% onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
  • Het percentage materieel in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

De inspecteur betoogde daarentegen dat het percentage van 8% gerechtvaardigd is omdat Vpb-plichtigen voornamelijk ondernemers zijn en dat de regeling aansluit bij het handelsverkeer.

In de zaak verwijst de rechtbank bij aanvang van de beoordeling naar een recent arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024. In dat arrest heeft de Hoge Raad de exceptieve toetsing van lagere regelgeving (niet zijnde wetten in formele zin) in fiscale zaken uitgewerkt. De rechtbank leidt uit dat arrest van de Hoge Raad een stappenplan af en past deze toe op de zaak en komt tot het volgende oordeel.

De rechtbank oordeelde dat de regelgever onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het rentepercentage voor de Vpb op 8% is gesteld. De volgende overwegingen waren daarbij van belang:

  • De koppeling van het belastingrentepercentage aan de wettelijke rente voor handelstransacties is niet passend, aangezien een materieel belastingschuld niet vergelijkbaar is met een handelsvordering.
  • De nadelige gevolgen voor Vpb-plichtigen zijn aanzienlijk, met name doordat het minimumpercentage van 8% in absolute zin fors hoger is dan het tarief van 4% dat geldt voor andere belastingsoorten.
  • De rechtbank achtte de onderbouwing van de wet- en regelgever ontoereikend, waardoor de regeling niet voldeed aan het evenredigheidsbeginsel.

Op basis hiervan verklaarde de rechtbank artikel 1, onderdeel b, van het Bbi onverbindend. De belastingrentebeschikking werd verminderd tot een bedrag van €45.485, waarbij het lagere tarief van 4% werd toegepast.

De Belastingdienst heeft op 10 december 2024 op het Forum Fiscaal Dienstverleners aangegeven er naar te streven dat de onderliggende rechtsvraag van deze zaak voor te leggen aan de Hoge Raad. De Belastingdienst heeft in reactie op vragen uit de praktijk aangegeven dat belanghebbenden (eventueel) een verzoek kunnen indienen om een herziening van de voorlopige aanslag (VA) vennootschapsbelasting en dat dit op grond van artikel 27 lid 5 Wet Vpb tot 6 weken na de definitieve aanslag voor de vennootschapsbelasting kan.

Belastingrenteregelgeving onverbindend!

Commentaar

De belastingrenteregeling is al vele malen, zonder succes, ter beoordeling voorgelegd aan de belastingrechter. Deze uitspraak heeft wel tot een positief resultaat voor belastingplichtige geleid. Het kan dus bij bepaalde ogenschijnlijk kansarme fiscale vraagstukken geen kwaad om het (met andere argumenten) toch nog eens te proberen als een zaak zich er toe leent.

Met dit oordeel van de rechtbank kunnen belastingplichtigen een verzoek indienen om een herziening van de voorlopige aanslag.

Deze uitspraak benadrukt de noodzaak voor de wet-/regelgever om regelgeving zorgvuldiger te motiveren en te toetsen aan algemene rechtsbeginselen.

Bron: Rechtbank Noord – Nederland 7 november 2024, nr. 23/5244, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361

NB: Tevens (in aangepaste vorm) gepubliceerd in het Fiscaal Advies Magazine

Leave a Reply