In fiscale zaken is voortvarendheid bij het opleggen van navorderingsaanslagen een terugkerend onderwerp. Bij de (verlengde) navorderingstermijn, moet de Belastingdienst binnen een redelijke termijn aanslagen vaststellen en niet onnodig treuzelen. De rechtspraak heeft kort en goed een structuur van vier fasen neergezet waarin de voortvarendheid geëvalueerd wordt:
- Identificatiefase – Het vaststellen wie precies belasting heeft ontdoken.
- Gegevensverwerkingsfase – Het verwerken van beschikbare informatie.
- Inlichtingenfase – Het opvragen van extra informatie, indien nodig.
- Voorbereiding en vaststelling van de navorderingsaanslag – Het daadwerkelijk opleggen van de aanslag.
Volgens een arrest van de Hoge Raad op 28 maart 2014 geldt in grote lijnen het volgende:
- De Belastingdienst moet tijd krijgen om zorgvuldig te onderzoeken wie belasting heeft ontdoken en welk bedrag nagevorderd moet worden.
- Als er landelijke coördinatie of overleg met het Openbaar Ministerie nodig is, mag dit enige vertraging opleveren. Toch mag deze tijd niet ten koste gaan van de snelheid waarmee de aanslagen worden opgelegd.
- Een vertraging van langer dan zes maanden zonder goede verklaring wordt als onredelijk beschouwd. In dergelijke gevallen moet de inspecteur de vertraging kunnen verklaren.
- Als de inspecteur wacht op informatie van de belastingplichtige, wordt dit niet gezien als vertraging, ook niet als de zesmaandentermijn wordt overschreden.
Een recent arrest van de Hoge Raad, schept interessante inzichten over dit voortvarendheidsvereiste.
In 2014 meldde belastingplichtige (X) dat hij beschikte over niet-aangegeven Luxemburgse bankrekeningen. De inspecteur vroeg X om aanvullende informatie, wat ertoe leidde dat duidelijk werd dat X drie Luxemburgse bankrekeningen had, waaronder één op naam van A Inc., een vennootschap opgericht in 2008 waarvan X de enige aandeelhouder was. Op 16 juni 2016 verstrekte X de laatste informatie aan de inspecteur. Hierna volgden op 23 december 2016 navorderingsaanslagen voor de jaren 2001-2003, en in februari 2017 voor 2004-2012 en 2014.
X ging in beroep tegen de aanslagen over 2001-2008 en stelde dat de inspecteur na de laatste informatie van juni 2016 te lang had gewacht. Volgens het Hof Den Bosch mocht de inspecteur wachten tot hij op 12 september 2016 een collega om opheldering vroeg over X’s betrokkenheid bij A Inc. Pas na de reactie hierop was het volgens het hof gerechtvaardigd om de aanslagen op te leggen.
X ging in cassatie bij de Hoge Raad, die oordeelde dat het hof een fout had gemaakt. De inspecteur had namelijk al voldoende informatie om de aanslagen op te leggen en de vragen van 12 september 2016 betroffen enkel de fiscale kwalificatie van A Inc., niet de basisinformatie voor de aanslagen over de jaren 2001-2008. Er was volgens de Hoge Raad dan ook sprake van een vertraging van meer dan zes maanden tussen de laatste informatie en de aanslagoplegging. Omdat de inspecteur geen goede verklaring had, vernietigde de Hoge Raad de aanslagen voor 2001-2008.
De inspecteur had niet voortvarend genoeg gehandeld!
Commentaar
Deze uitspraak onderstreept hoe belangrijk het is dat de Belastingdienst voortvarend te werk gaat bij het opleggen van navorderingsaanslagen. Wanneer de inspecteur onnodige vertraging oploopt, kan dit uiteindelijk in het nadeel van de Belastingdienst werken. Deze zaak dient voor de Belastingdienst als waarschuwing en geeft belastingplichtigen een handvat om te toetsen of hun navorderingsaanslagen tijdig zijn opgelegd.
Bron: Hoge Raad 1 november 2024, nr. 23/00324, ECLI:NL:HR:2024:1557
NB: Tevens (in aangepaste vorm) gepubliceerd in het Fiscaal Advies Magazine