Skip to main content
BankenBlogWwft

Opzegging bankrelatie na cliëntenonderzoek: hoe een onjuist feitenrelaas de zaak sloopt

By 15 juli 2026juli 17th, 2026No Comments

Een bank die haar cliëntenonderzoek niet kan afronden, moet de relatie beëindigen. Dat is de kern van het geschil dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10 maart 2026 beoordeelde in de zaak met ECLI:NL:GHARL:2026:1470. ASN Bank zegde de rekening van een 85-jarige klant op omdat hij volgens de bank onvoldoende meewerkte aan het onderzoek op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. In kort geding vorderde de klant een verbod op die beëindiging, met als argument dat hij zonder de rekening zou worden afgesneden van het maatschappelijk verkeer. Het hof kwam aan die vraag niet toe. De rekeninghouder had de feiten over zijn afhankelijkheid van de rekening niet naar waarheid aangevoerd, en dat kostte hem de zaak. De uitspraak gaat daarmee minder over de-risking dan over de prijs van een onjuist processueel verhaal.

Wat er speelde

De klant bankierde al 38 jaar bij (voorgangers van) ASN. Vanaf juni 2024 stelde de bank vragen over transacties op de rekening, met de waarschuwing dat een privérekening niet zakelijk mag worden gebruikt. Die vragen hoorden bij het Wwft-klantonderzoek en zagen onder meer op geldstromen rond verschillende vastgoedprojecten. De klant beantwoordde een deel, maar liet herhaalde vervolgvragen en verzoeken om onderliggende stukken liggen. Hij vond de vragen al beantwoord, disproportioneel en een fishing expedition.

Bij brief van 28 mei 2025 zegde ASN de relatie op tegen 29 juli 2025, met een beroep op artikel 5 lid 3 Wwft en artikel 35 van de algemene bankvoorwaarden. Na overleg verschoof de beëindigingsdatum naar 15 september 2025 en schortte ASN de beëindiging op zolang het aangekondigde kort geding liep. De voorzieningenrechter verklaarde de klant op 5 november 2025 niet-ontvankelijk (ECLI:NL:RBGEL:2025:9959). Daarna beëindigde ASN de rekening per 17 november 2025 en plaatste zij de klant op de BOVA-lijst, de interne lijst met bancaire opzeggingshistorie en verscherpte acceptatiecriteria.

Het juridische kader: Wwft, ABV en de bancaire zorgplicht

Het hof zet het kader zorgvuldig neer. Een bank heeft voor haar cliëntenonderzoek geen eigen opsporingsbevoegdheden en is afhankelijk van openbare bronnen en van wat de klant zelf verstrekt. Daarom is de klant op grond van de bankvoorwaarden verplicht informatie te geven en mee te werken aan controle daarvan. Kan de bank het onderzoek niet voltooien en daarmee niet voldoen aan artikel 3 Wwft, dan is zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht de relatie te beëindigen. Artikel 35 ABV geeft de bevoegdheid tot opzegging, met de zorgvuldigheid van artikel 2 ABV.

Die bevoegdheid is niet onbegrensd. Het gebruik van een contractuele of wettelijke opzeggingsbevoegdheid kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Binnen die toets weegt de bancaire zorgplicht mee en telt zwaar dat iemand zonder betaalrekening vrijwel niet kan deelnemen aan het maatschappelijk en economisch verkeer. Het hof verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652. Precies op dat belang, de afhankelijkheid van juist deze rekening, rustte het hele betoog van de klant.

Waar het misging: de waarheidsplicht van artikel 21 Rv

Artikel 21 Rv verplicht partijen de voor de beslissing relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Doet een partij dat niet, dan mag de rechter daaraan het gevolg verbinden dat hij passend acht. De klant stelde geen andere Nederlandse rekening te hebben en volledig afhankelijk te zijn van ASN voor zijn AOW, pensioen en vaste lasten. In eerste aanleg bleek dat hij nog drie Nederlandse en vier buitenlandse rekeningen had. Zijn advocaat erkende dat, maar noemde die zakelijk.

In hoger beroep hield de klant vol dat die andere rekeningen geen bruikbaar privéalternatief waren. Uit de analyse van ASN bleek het tegendeel. Zijn AOW werd al lang gestort op de Rabo-rekening van zijn echtgenote, waarover hij met een volmacht en een betaalapp beschikte. Zijn dagelijkse uitgaven deed hij via een Duitse rekening en die van zijn vrouw, en ook zijn ING-rekening bleek gewoon bruikbaar voor privégebruik. De rekening bij ASN gebruikte hij daarvoor nauwelijks. De klant erkende ter zitting dat hij op dat moment geen problemen ondervond van de beëindiging. Toch trok hij het spoedappel niet in en corrigeerde hij zijn onjuiste stellingen niet. Voor het hof waren dat geen bijkomstigheden: juist die feiten waren bepalend voor zowel het spoedeisend belang als de vraag of de opzegging onaanvaardbaar was. De niet-ontvankelijkverklaring noemde het hof een passende sanctie, geen disproportionele.

Geen spoedeisend belang, ook niet voor de BOVA-lijst

Ten overvloede oordeelde het hof dat het spoedeisend belang ontbrak. In kort geding wordt dat beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak, en de klant beschikte over verschillende bruikbare rekeningen. Van een noodsituatie was geen sprake. Ook voor de vordering om niet op de BOVA-lijst te worden geplaatst zag het hof geen spoedeisend belang: die lijst is intern en vormt op zichzelf geen belemmering om elders een rekening te openen, en de klant had al rekeningen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de opzegging kwam het hof niet toe. Wel merkte het op dat ASN ruim had toegelicht op welke vragen de medewerking uitbleef, en dat de klant daar ook in hoger beroep niet voldoende op inging. De proceskosten werden verdubbeld tot het dubbele liquidatietarief, omdat de klant ASN door het volhouden van zijn onjuiste stellingen nodeloos op kosten had gejaagd.

Wat dit betekent voor de praktijk

De opzegging van een bankrelatie na een vastgelopen cliëntenonderzoek blijft een terrein waarop de bank sterk staat: artikel 5 lid 3 Wwft dwingt tot beëindiging als het onderzoek niet kan worden afgerond, en de klant draagt een reële meewerkplicht. Het beroep op de bancaire zorgplicht en op deelname aan het maatschappelijk verkeer kan gewicht in de schaal leggen, maar staat of valt met een feitelijk verhaal dat klopt. Wie in kort geding stelt afgesneden te zijn van het betalingsverkeer terwijl er zeven andere rekeningen zijn, verspeelt niet alleen het spoedeisend belang maar de hele ontvankelijkheid, en riskeert een verhoogde kostenveroordeling. De les is helder: in een de-riskingzaak is het van belang het feitenrelaas op orde te hebben; het risico is verlies van de zaak met mogelijk een hoge(re) proceskostenveroordeling.

NB: meer weten? Lees: https://laghmouchilaw.nl/bankrelatie-opgezegd-evr-ivr-wegwijzer/

Leave a Reply