Wie tegen een belastingaanslag procedeert, heeft recht op het volledige dossier van de inspecteur. Dat staat in artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en het klinkt eenvoudiger dan het in de praktijk is. In de zaak die de Hoge Raad op 10 april 2026 besliste, vroeg een ondernemer bij de rechtbank en bij het hof om stukken uit een onderzoek van het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC). De inspecteur ontkende steeds dat hij die stukken had. Pas toen buiten de fiscale procedure om een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) werd gedaan, en daarover werd doorgeprocedeerd, bleek dat de Belastingdienst de RIEC-stukken wel degelijk in bezit had. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch, verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden en veroordeelt de Staatssecretaris tot een proceskostenvergoeding van 15.000 euro wegens in vergaande mate onzorgvuldig handelen. Het arrest (ECLI:NL:HR:2026:571) gaat over de reikwijdte van artikel 8:42 Awb en over wat een rechter moet doen als de inspecteur die bepaling schendt.
Het kader: artikel 8:42 en artikel 8:31 Awb
Artikel 8:42, lid 1, Awb verplicht het bestuursorgaan om binnen vier weken na ontvangst van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter te sturen. In belastingzaken gaat het om alle stukken die de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de nog bestaande geschilpunten. Zo formuleerde de Hoge Raad het in zijn overzichtsarrest van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672). Of een stuk in het voordeel van de belastingplichtige uitpakt, speelt daarbij geen rol. Beslissend is of het van belang kán zijn.
Legt de inspecteur een stuk niet over, dan geeft artikel 8:31 Awb de rechter de ruimte om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Die vrijheid is ruim. Zij is echter niet onbegrensd: de rechter moet alle omstandigheden meewegen, waaronder het belang van de ontbrekende stukken voor de waarheidsvinding. Dat volgt uit het arrest van 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3600, r.o. 2.3.4), waarnaar de Hoge Raad nu opnieuw verwijst. En de rechter moet die afweging ook laten zien. Een enkele verwijzing naar artikel 8:31 Awb, zonder motivering, volstaat niet.
De zaak: hondenpups, een strafrechtelijk onderzoek en ambtenaren met twee petten
De belanghebbende fokte hondenpups en bemiddelde bij de verkoop ervan. Na een RIEC-onderzoek naar haar onderneming en naar de kennel van een familielid van haar echtgenoot werd begin 2016 een strafrechtelijk onderzoek geopend. De inspecteur vroeg de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op grond van artikel 55 AWR om gegevens uit het I&R-systeem, waarin honden geregistreerd staan. Een ambtenaar van de Belastingdienst maakte op basis daarvan een theoretische omzetberekening. Er volgden een doorzoeking van de woning, een boekenonderzoek en begin 2017 een reeks navorderings- en naheffingsaanslagen inkomstenbelasting, Zvw en omzetbelasting over 2013 tot en met 2015, met omkering en verzwaring van de bewijslast.
Twee belastingambtenaren speelden in dit dossier een dubbelrol. Zij legden de aanslagen op en behandelden de bezwaren, en zij traden in het strafrechtelijk onderzoek op als buitengewoon opsporingsambtenaar. Het Openbaar Ministerie liet in 2022 weten niet te vervolgen en de afdoening aan de Belastingdienst over te laten.
Bij de rechtbank en het hof vroeg de belanghebbende om de RIEC-stukken. De inspecteur verklaarde dat hij die niet had. Hof ’s-Hertogenbosch geloofde hem: het dossier bevatte volgens het hof geen enkele aanwijzing van het tegendeel (ECLI:NL:GHSHE:2022:4706). Andere stukken, waaronder een kopie van in beslag genomen gegevensdragers, NVWA-informatie over I&R-registraties en processen-verbaal over steekproeven, waren volgens het hof wél op de zaak betrekking hebbende stukken die de inspecteur had moeten overleggen. Daaraan verbond het hof met een beroep op artikel 8:31 Awb echter geen enkel gevolg.
De Woo-procedure verandert alles
Buiten de fiscale procedure om liep een Woo-verzoek. De Belastingdienst hield ook daar aanvankelijk vol dat de RIEC-stukken niet in zijn bezit waren. Rechtbank Oost-Brabant oordeelde op 19 februari 2024 in de Woo-zaak (ECLI:NL:RBOBR:2024:574), waarna de stukken alsnog aan de belanghebbende zijn verstrekt. De Hoge Raad verwijst daarnaast naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4984). Op 17 juni 2024, midden in de cassatieprocedure, meldde de Staatssecretaris de Hoge Raad dat een aantal documenten toch bij de inspecteur was en als op de zaak betrekking hebbend stuk overgelegd had moeten worden. Volgens de belanghebbende ging het om een grote hoeveelheid RIEC-stukken en aantekeningen.
Met die erkenning viel de bodem onder het hofoordeel weg. De Hoge Raad noemt het oordeel dat de RIEC-stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken waren onbegrijpelijk. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat die stukken van belang kunnen zijn voor de geschilpunten over de rechtmatigheid van het bewijs en over de hoogte van de aanslagen, gaat de Hoge Raad daar in cassatie ook van uit.
Ook de toepassing van artikel 8:31 Awb houdt geen stand
Het tweede middel raakt een punt dat in veel procedures speelt. Het hof had vastgesteld dat de inspecteur vier categorieën stukken ten onrechte niet had overgelegd, en volstond met de opmerking dat het daaraan met toepassing van artikel 8:31 Awb geen gevolgen verbond. De Hoge Raad accepteert dat niet. Als het hof meende dat het niet alle omstandigheden hoefde mee te wegen, waaronder het belang van de stukken voor de waarheidsvinding, berust het oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Heeft het hof die afweging wel gemaakt, dan blijkt dat nergens uit en is het oordeel onvoldoende gemotiveerd. Beide wegen leiden tot vernietiging.
De oordelen over het zozeer-indruist-criterium (HR 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8179) en over de hoogte van de aanslagen bouwden voort op het onvolledige dossier. Ook die sneuvelen daarom. Het verwijzingshof moet de zaak opnieuw beoordelen, nu met de RIEC-stukken erbij.
Niet alles slaagt. De klacht dat de dubbelrol van de belastingambtenaren heeft geleid tot derdenonderzoeken bij particulieren in strijd met artikel 53 AWR, was bij het hof niet aangevoerd en vergt feitelijk onderzoek. Daarvoor is in cassatie geen plaats. De overige klachten over de dubbelrol doet de Hoge Raad af met artikel 81 RO. Wie het punt van de twee petten wil maken, moet dat dus in feitelijke instantie doen, met concrete aanwijzingen in het dossier.
Proceskosten: 15.000 euro wegens in vergaande mate onzorgvuldig handelen
De standaardvergoeding voor proceskosten in belastingzaken is forfaitair en dekt zelden de werkelijke kosten van rechtsbijstand. Artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht laat een hogere vergoeding toe bij bijzondere omstandigheden. Daarvan is volgens vaste rechtspraak sprake als de inspecteur een besluit neemt of handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat het geen stand zal houden, of als hij in vergaande mate onzorgvuldig handelt. Het hof zag daar in 2022 geen reden voor.
De Hoge Raad wel. Hij weegt mee dat de belanghebbende in twee instanties om de RIEC-stukken heeft gevraagd, dat de inspecteur steeds heeft ontkend dat hij ze had, en dat pas een Woo-procedure de waarheid boven tafel bracht. Dat is in vergaande mate onzorgvuldig handelen dat aan de Staatssecretaris is toe te rekenen. De vergoeding voor de cassatieprocedure wordt vastgesteld op 15.000 euro. Daar komt 1.500 euro immateriële schadevergoeding bij, omdat de behandeling in cassatie meer dan een jaar te lang duurde. Ook de afwijzing van een integrale vergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep is vernietigd. Het verwijzingshof moet daar opnieuw naar kijken.
Wat dit betekent voor de praktijk
Het arrest laat zien hoe een fiscale procedure en een Woo-verzoek elkaar kunnen versterken. Een Woo-verzoek vervangt artikel 8:42 Awb niet, en de Woo kent eigen uitzonderingsgronden. Maar als de inspecteur volhoudt dat bepaalde stukken niet bestaan of niet bij hem liggen, biedt een Woo-procedure een tweede, zelfstandige toets van die stelling, met een eigen rechter en een eigen beslissing. In deze zaak was dat de sleutel.
Daarnaast maakt de Hoge Raad duidelijk dat een rechter een geconstateerde schending van artikel 8:42 Awb niet met één zin mag afdoen. Wie in beroep of hoger beroep stelt dat stukken ontbreken, doet er goed aan concreet te benoemen om welke stukken het gaat en waarom die van belang kunnen zijn voor de geschilpunten. Die motivering dwingt de rechter tot een zichtbare belangenafweging. Hier had de belanghebbende dat gedaan, en dat verklaart mede waarom het middel slaagt.
Voor dossiers waarin strafrecht en belastingrecht door elkaar lopen, zoals bij RIEC-onderzoeken en bij ambtenaren met een dubbelrol, is het verstandig vroeg en schriftelijk om het complete dossier te vragen, vast te leggen wat de inspecteur daarover verklaart, en de Woo parallel in te zetten als die verklaring niet overtuigt. Blijkt de ontkenning later onjuist, dan is de kans op een vergoeding boven het forfait reëel.
Afronding
De zaak ligt nu bij Hof Arnhem-Leeuwarden, dat met de RIEC-stukken op tafel opnieuw moet beoordelen of het bewijs rechtmatig is verkregen en of de aanslagen kloppen. Ook de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep liggen weer open. Hoe het verwijzingshof de dubbelrol van de belastingambtenaren weegt nu het volledige dossier beschikbaar is, wordt het vervolg om in de gaten te houden.
Bron: Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:571, zaaknummer 23/00547 (artikelen 8:31 en 8:42 Awb; artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht). Hofuitspraak: Hof ’s-Hertogenbosch 29 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4706. Woo-procedure: Rechtbank Oost-Brabant 19 februari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:574; ABRvS 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4984.