Een recent arrest van Hof ’s-Hertogenbosch van 9 juli 2025 bevestigt het standpunt van de Belastingdienst dat een in Nederland gevestigde Engelse LLP voor de vennootschapsbelasting geen fiscaal transparant lichaam vormt. Deze zaak laat zien dat voor kwalificatievragen onder de Wet Vpb 1969 niet uitsluitend naar de civielrechtelijke vormgeving wordt gekeken, maar dat de feitelijke rechtsverhoudingen en aansprakelijkheidsstructuur leidend zijn.
De door belanghebbende ingeroepen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, boden geen soelaas.
Casus: Engelse LLP met Nederlandse activiteiten
Belanghebbende, een naar Engels recht opgerichte LLP, was in Nederland gevestigd en als organisatieadviesbureau actief op het gebied van data, digitale documentatie en logistieke werkstromen. De LLP had twee ‘members’: een natuurlijke persoon (A) en diens houdstermaatschappij (B BV). De interne governance was informeel geregeld; een schriftelijke LLP-overeenkomst ontbrak.
Voor de jaren 2015 tot en met 2017 diende de LLP nihilaangiften vennootschapsbelasting in, met als toelichting dat zij als buitenlands transparant lichaam niet onderworpen zou zijn aan de Nederlandse heffing. De inspecteur volgde deze redenering niet. Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AX2034), het kwalificatiebesluit van de Staatssecretaris van 11 december 2009, nr. CPP2009/519M, en de uitspraak van Hof Den Haag van 11 augustus 2020 inzake de kwalificatie van een (volgens de inspecteur soortgelijke) LLP (ECLI:NL:GHDHA:2020:2016) concludeerde belanghebbende op basis van de feitelijke inrichting van de LLP dat sprake was van een zelfstandig belastingplichtig lichaam. Aanslagen werden opgelegd op basis van de winsten zoals die door de natuurlijke persoon A waren aangegeven in zijn inkomstenbelastingaangiften.
Procedureverloop en toezeggingen
Na een vergeefse bezwaarprocedure wendde belanghebbende zich tot de rechter. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde in 2023 dat, gelet op onder meer voormelde uitspraak van de Hoge Raad van 2 juni 2006 weergegeven toetsingskader, de LLP voor de vennootschapsbelasting kwalificeert als niet-transparant.
Opmerkelijk is dat in hoger beroep door belanghebbende is erkend dat zij belastingplichtig is (althans dat de onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting niet meer in geschil was), mede vanwege toezeggingen van de inspecteur. De inspecteur zou volgens belanghebbende hebben toegezegd om de reeds opgelegde aanslagen bij de members, die op dat moment onherroepelijk waren, te herzien zodra de aanslagen voor de LLP onherroepelijk zouden zijn geworden. Enkel de principiële rechtsvragen over het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel bleven in geschil.
Geen vertrouwen te ontlenen aan beleidsbesluit
Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank. De verwijzing naar het kwalificatiebesluit, waarin een Engelse LLP als voorbeeld van een transparant lichaam wordt genoemd, slaagt niet. Het hof oordeelt conform de rechtbank dat de lijst in dat besluit een indicatief karakter heeft. Het hof oordeelt net als de rechtbank dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.
Dat de inspecteur zijn standpunt pas in 2017 kenbaar maakte, terwijl de lijst in 2016 werd aangepast (waarbij de LLP verdween van de transparantenlijst), doet daar volgens het hof niet aan af.
Ook geen schending van het gelijkheidsbeginsel
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel strandt. Het hof bevestigt de overwegingen van de rechtbank dat niet is aangetoond dat in de meerderheid van vergelijkbare gevallen een gunstiger behandeling heeft plaatsgevonden. Er is ook geen sprake van begunstigend beleid, ook is er geen oogmerk tot begunstiging. De eerstgenoemde meerderheidsregel, die kort en goed eist dat in minstens 50% van de vergelijkbare gevallen een gunstiger behandeling is gevolgd, werd niet gehaald. Bovendien blijkt uit het dossier geen patroon van vergelijkbare gevallen met afwijkend beleid.
Afsluitende beschouwing
Deze uitspraak bevestigt het belang van tijdige afstemming met de Belastingdienst bij gebruik van buitenlandse rechtsvormen in Nederland. De inrichting en het gebruik van een buitenlandse rechtsvorm vereist een gedegen voorbereiding. Immers, deze uitspraak laat ook zien dat een beroep op rechtsbeginselen niet zonder meer helpt.
Bron: Hof ’s-Hertogenbosch, 9 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1939
NB: Tevens (in aangepaste vorm) gepubliceerd in de Belastingmagazine