De belastingrente in de vennootschapsbelasting mag niet langer op het minimum van 8% worden gebaseerd. Rechtbank Noord-Holland verlaagde op 31 maart 2026 een rentebeschikking van € 33.927 naar € 16.797, in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59). Wie nu nog een rentebeschikking kan aanvechten, heeft daarmee een aanvullend sterk argument in handen.
Wat speelde er in deze zaak?
Aan een bv werd bij voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2021, met dagtekening 6 januari 2024, over een belastbaar bedrag van ruim 1,9 miljoen euro belasting geheven. Tegelijk bracht de inspecteur € 33.927 belastingrente in rekening: 8% over de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2023 en 10% over de eerste weken van 2024. Die percentages komen uit artikel 1, onderdeel b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente, dat voor de vennootschapsbelasting een ondergrens van 8% voorschrijft. De bv maakte bezwaar, dat de inspecteur als een verzoek om herziening behandelde en afwees, en stelde in beroep dat de tarieven het evenredigheidsbeginsel schenden.
Waarom is de 8%-ondergrens onverbindend?
De rechtbank kon kort zijn. In het arrest van 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad artikel 1, onderdeel b, van het Besluit onverbindend verklaard, zodat die bepaling buiten toepassing blijft. Wat overblijft is de algemene regel van onderdeel a, en daarop moet het rentepercentage worden gebaseerd. Voor deze zaak betekende dat 4% in plaats van 8% en 4,5% in plaats van 10%. De rechtbank herrekende de rente zelf en stelde de beschikking vast op € 16.797. Het beroep was gegrond en de inspecteur moest de proceskosten en het griffierecht vergoeden.
Wat betekent dit voor uw belastingrente in de vennootschapsbelasting?
De onverbindendverklaring werkt door in elke zaak waarin de inspecteur het minimum van onderdeel b heeft toegepast en de rentebeschikking nog niet onherroepelijk vaststaat. Wie nog in bezwaar of beroep zit, of nog binnen de termijn een rentebeschikking kan aanvechten, heeft een sterk en eenvoudig argument. Het verschil tussen 8% en 4% loopt bij zakelijke aanslagen snel in de duizenden euro’s op: in deze zaak bijna € 17.000 op één voorlopige aanslag. Belangrijk is dat de Belastingdienst niet uit zichzelf herrekent. Loop lopende en recente rentebeschikkingen dus na, vergelijk het toegepaste percentage met onderdeel a, en stel waar nodig tijdig een rechtsmiddel in.
En de beschikkingen die al vaststaan?
Voor beschikkingen die onherroepelijk zijn, resteert het verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur beoordeelt zo’n verzoek terughoudender en er gelden eigen grenzen, dus een stellige uitkomst is op dat punt nog niet te geven. Hoe het structureel verder gaat, hangt af van de wetgever. Een reparatie met een beter onderbouwde grondslag ligt voor de hand. Zolang die er niet is, geldt het lagere tarief van onderdeel a.
Veelgestelde vragen
Wat is de belastingrente in de vennootschapsbelasting nu?
Na het arrest van de Hoge Raad geldt het percentage van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente in plaats van de ondergrens van 8%. In deze zaak kwam dat neer op 4% en 4,5%.
Kan ik mijn rentebeschikking nog aanvechten?
Ja, zolang de beschikking niet onherroepelijk vaststaat en de bezwaar- of beroepstermijn nog loopt. Staat de beschikking al vast, dan kunt u een verzoek om ambtshalve vermindering doen.
Geldt dit alleen voor de vennootschapsbelasting?
Het arrest ziet op de ondergrens van onderdeel b, die vooral de vennootschapsbelasting raakt. Voor andere belastingen gelden eigen percentages; laat uw beschikking apart beoordelen.
Bron: Rb. Noord-Holland 31 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3556 (HAA 24/7969); Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.