Wanneer een dga langdurig geld schuldig blijft aan zijn vennootschap, ligt een winstuitdeling op de loer. Toch blijkt uit een recente uitspraak dat de inspecteur niet zomaar mag aannemen dat een rekening-courantvordering is prijsgegeven. Ook is een omkering van de bewijslast niet aan de orde als sprake is van een pleitbaar standpunt.
De casus
Belanghebbende was gehuwd met de enig aandeelhouder en bestuurder van een BV. Tussen de vennootschap en de echtgenoot bestond sinds 2007 een lening van € 1.000.000, vastgelegd in een geldleningsovereenkomst tegen 5% maandrente. In 2013 werd de vennootschap failliet verklaard. De inspecteur stelde dat de vennootschap haar vordering op de dga in dat jaar had prijsgegeven. Het bedrag van € 1.677.142 werd als winstuitdeling aangemerkt, waarvan de helft aan belanghebbende werd toegerekend.
De rechtbank vernietigde de aanslag: de inspecteur had niet aannemelijk gemaakt dat de schuld in 2013 was prijsgegeven. In hoger beroep voerde de inspecteur aan dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, zodat de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard.
Het Hof oordeelde anders. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:26) volgt dat voor een winstuitdeling vereist is dat:
- een onttrekking aan het vermogen van de vennootschap plaatsvindt,
- die onttrekking geschiedt uit winst of winstreserves, en
- sprake is van een bevoordelingsbedoeling en bewuste aanvaarding door de aandeelhouder.
De inspecteur droeg de bewijslast en slaagde daar niet in. Dat de lening niet was afgelost, de administratie ontbrak en de schuld niet bij de curator was gemeld, maakten niet dat het daarmee aannemelijk was dat de lening “prijsgegeven” was. Het Hof overwoog dat de inspecteur zowel in de aanslagregeling als tijdens de bezwaarfase had nagelaten gebruik te maken van zijn bevoegdheden om nadere inlichtingen te verkrijgen.
De inspecteur meende dat sprake was van het niet doen van de vereiste aangifte, zodat de bewijslast moest worden omgekeerd. Het Hof verwees naar HR 29 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:970): als de belastingplichtige bij het doen van de aangifte een pleitbaar standpunt inneemt, is omkering uitgesloten. Omdat de rechtbank belanghebbende op rechtskundige gronden in het gelijk had gesteld, moest worden aangenomen dat een pleitbaar standpunt was ingenomen. Van omkering en verzwaring van de bewijslast kan dan geen sprake zijn.
De inspecteur stelde nog dat de in 2013 opgebouwde rentevordering van € 83.198 een uitdeling van winst vormde, omdat terugbetaling illusoir was. Ook deze stelling faalt. Er vond geen nieuwe geldverstrekking plaats; het ging slechts om verschuldigde rente. Nu niet aannemelijk is dat de vennootschap die rentevordering heeft prijsgegeven, ontbreekt een winstuitdeling.
De verzuimboete wegens te late aangifte bleef in stand, maar werd met 20% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De immateriële schadevergoeding werd verhoogd tot € 3.000, verdeeld over de inspecteur en de Staat. Het Hof achtte het onterecht dat de rechtbank de redelijke termijn met 48 maanden had verlengd; 24 maanden volstond, mede omdat ook de inspecteur had bijgedragen aan de vertraging en de rechtbank zelf te kampen had met capaciteitsproblemen.
Omkering en verzwaring van de bewijslast vervalt bij pleitbaar standpunt.
Commentaar
Deze uitspraak benadrukt dat de inspecteur niet lichtvaardig mag aannemen dat een rekening-courantvordering is prijsgegeven. Zonder concreet bewijs van een bewuste vermogensonttrekking door de vennootschap blijft een winstuitdeling achterwege.
Bovendien bevestigt het Hof dat het pleitbaar-standpuntcriterium een effectief waarborg vormt tegen de omkering van de bewijslast. Nu de rechtbank in deze zaak belastingplichtige op rechtskundige gronden in het gelijk stelt, geldt diens standpunt in beginsel als pleitbaar.
Niet elke niet-afgeloste lening kwalificeert als winstuitdeling, en een verdedigbaar juridisch standpunt beschermt tegen een omkering van de bewijslast. Inspecteurs doen er goed aan hun bewijspositie tijdig te versterken via de bevoegdheden die zij hebben; belastingplichtigen kunnen juist profiteren van een goed onderbouwd juridisch betoog.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 oktober 2025, nrs. 24/419 en 24/462, ECLI:NL:GHARL:2025:6240. Vergelijk HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26 en HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970.
NB: Tevens (in aangepaste vorm) gepubliceerd in het Fiscaal Advies Magazine