In zijn arrest van 5 september 2025 bevestigt de Hoge Raad dat renteaftrek bij een private-equity-overname kan worden geweigerd wegens fraus legis, ook als de schuld in overwegende mate zakelijk is op grond van de anti-winstdrainageregelgeving. Het arrest maakt duidelijk dat artikel 10a niet uitsluit dat daarnaast fraus legis kan worden ingezet.
Casus
De zaak betrof X B.V., opgericht als overnameholding voor een Nederlandse retailgroep. De aandelen werden gekocht voor circa € 248 miljoen. De overname werd deels gefinancierd met externe leningen en deels met een aandeelhouderslening van € 57 miljoen van de Luxemburgse moeder H SARL. Deze had het bedrag verkregen via Preferred Equity Certificates (PEC’s). Over de lening was € 3,9 miljoen rente verschuldigd, die binnen de fiscale eenheid in aftrek werd gebracht.
De inspecteur weigerde die aftrek wegens een kunstmatige winstdrainagestructuur.
In geschil was of de rente, ondanks het ontbreken van een “omleiding” onder artikel 10a Wet Vpb, toch kon worden geweigerd wegens fraus legis.
Procesverloop
Na eerdere procedures verklaarde de Hoge Raad in 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1085) het beroep van X B.V. gegrond en verwees de zaak naar Hof Amsterdam. Dat hof oordeelde in 2023 dat de lening deels onzakelijk was en dat de resterende rente eveneens moest worden geweigerd wegens fraus legis. De Luxemburgse moeder- en grootmoedervennootschap fungeerden volgens het hof slechts als doorgeefluik, zonder eigen financieringsfunctie.
De Hoge Raad
De Hoge Raad bevestigt dat oordeel. Dat een schuld volgens artikel 10a zakelijk is, sluit fraus legis niet uit. Artikel 10a Wet Vpb is geen uitputtende misbruikbepaling. Bestaat buiten die structuur gekunsteldheid die tot winstdrainage leidt, dan mag renteaftrek worden geweigerd wegens strijd met doel en strekking van de Wet Vpb. De Hoge Raad verwijst naar zijn winstdrainage-arrest van 16 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1152): van fraus legis is sprake als de belastingheffing wordt verijdeld door handelingen die niet zakelijk nodig zijn, maar enkel dienen om belasting te ontwijken.
Het hof had derhalve terecht vastgesteld dat:
- Het motiefvereiste was vervuld: de fiscale beweegreden was doorslaggevend voor de gekozen structuur. De Luxemburgse tussenschakels hadden geen economische functie en dienden uitsluitend om een aftrekbare rentelast te creëren.
- Het normvereiste ook was vervuld: renteaftrek zou leiden tot strijd met doel en strekking van de Wet Vpb, aangezien de constructie was gericht op het samenbrengen van ondernemingswinst en kunstmatig gecreëerde rentelasten.
Spilfunctie-arrest?
Belanghebbende verwees naar het spilfunctie-arrest (HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:330).
Volgens de Hoge Raad ontbreekt het motiefvereiste voor fraus legis alleen als de geldverstrekker binnen de 10a-structuur een echte financiële spilfunctie heeft. Dat was hier niet zo: de Luxemburgse vennootschappen waren slechts doorgeefluiken zonder eigen financieringsrol. Daarom stond het ontbreken van een spilfunctie fraus legis niet in de weg.
Betekenis voor de praktijk
Het arrest bevestigt dat fraus legis een blijvend vangnet is naast artikel 10a Wet Vpb.
Een zakelijke schuld of het ontbreken van een omleiding biedt geen zekerheid.
Relevant is of de hele structuur, ook buiten artikel 10a Wet Vpb, kunstmatig is en bedoeld om belastingheffing te vermijden.
Voor private-equitystructuren betekent dit dat de Inspecteur renteaftrek kan weigeren als financieringsvennootschappen slechts papieren doorgeefluiken zijn zonder eigen functie.
Dit arrest bevestigt de mogelijkheid voor de Inspecteur voor een tweesporige aanpak tegen grondslagerosie:
- Artikel 10a Wet Vpb als specifieke anti-misbruikbepaling.
- Fraus legis als algemeen correctiemechanisme.
Zelfs een op het oog zakelijke overnamefinanciering kan worden getroffen als zij feitelijk slechts dient om winst uit Nederland weg te sluizen. Fraus legis blijft daarmee het “slot op de deur”.
Bron: HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1250
NB: Tevens (in aangepaste vorm) gepubliceerd in de Belastingmagazine