Het enkele feit dat gevraagde stukken zich bij derden bevinden, ontslaat een belastingplichtige niet van zijn informatieverplichtingen. Dat volgt uit een recente uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden over informatiebeschikkingen die waren opgelegd in verband met een buitenlandse SPF-structuur. Centraal stond de vraag of belanghebbende voldoende had gedaan om de gevraagde administraties en bescheiden te verkrijgen. Het hof volgt dat standpunt niet.
Belanghebbende was betrokken bij een naar buitenlands recht opgerichte Stichting Particulier Fonds (SPF), die deelnemingen hield in vennootschappen in de online kansspelbranche. Hij was insteller, begunstigde en lid van de raad van toezicht van de SPF, en enig aandeelhouder van de vennootschap waaraan de deelnemingen van de SPF waren geschonken.
De inspecteur stelde vragen over de fiscale gevolgen van deze structuur voor de jaren 2009 tot en met 2011 en verzocht om inzage in de administratie van de SPF, de deelnemingen en de eigen vennootschap, en om een specificatie van het box 3-vermogen. Toen de informatie uitbleef, gaf hij informatiebeschikkingen af op grond van artikel 52a AWR. Belanghebbende stelde dat hij niet over de administraties kon beschikken; die zouden zich bij buitenlandse bestuurders, bewaarders en vennootschappen bevinden.
Het hof overwoog als volgt. Voor de informatieverplichting van artikel 47 AWR is voldoende dat de inspecteur zich redelijkerwijs op het standpunt kan stellen dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing; dat dit het geval was, stond niet ter discussie.
De kernvraag is of belanghebbende alle redelijkerwijs van hem te vergen maatregelen heeft getroffen om de informatie te verkrijgen. Naar vaste rechtspraak en de parlementaire geschiedenis blijft een informatieverzuim zonder gevolgen indien het de belastingplichtige niet kan worden aangerekend, maar dat veronderstelt wel voldoende inspanning.
Daarvan was geen sprake. Gelet op zijn positie als insteller, begunstigde en toezichthouder, zijn betrokkenheid bij de deelnemingen en zijn aandeelhouderschap in de ontvangende vennootschap, acht het hof aannemelijk dat de beheerder jaarlijks verantwoording aan belanghebbende moest afleggen en dat hij over de administraties en rapportages kon beschikken. Voor de eigen vennootschap woog mee dat de formele bestuurder zich bereid had verklaard mee te werken. Het niet verstrekken van de informatie kan belanghebbende daarom worden aangerekend; de informatiebeschikkingen blijven in stand.
Het hof kijkt sterk naar de feitelijke invloedssfeer van de belastingplichtige; bepalend zijn de economische belangen, de juridische positie binnen de structuur en de mogelijkheden om informatie op te vragen, niet het formele argument dat de administratie bij derden ligt. De schending wordt beoordeeld naar het moment waarop de beschikkingen zijn vastgesteld; latere ontwikkelingen zijn daarvoor in beginsel niet relevant. Ten slotte bevestigt het hof dat het in stand blijven van een informatiebeschikking niet automatisch meebrengt dat omkering en verzwaring van de bewijslast gelden; die vraag kan opnieuw aan de orde komen in de procedure over de aanslagen zelf.
Wie stelt niet over gevraagde informatie te beschikken, moet aannemelijk maken dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk was om die informatie alsnog te verkrijgen.
Commentaar
Deze uitspraak laat zien dat een belastingplichtige zich niet zonder meer kan verschuilen achter het ontbreken van beschikkingsmacht over gevraagde informatie. Van belang is of hij aannemelijk kan maken dat hij alle redelijkerwijs van hem te verlangen inspanningen heeft verricht om de stukken alsnog te verkrijgen. Daarbij kijkt de rechter niet alleen naar de juridische positie, maar ook naar de feitelijke betrokkenheid bij de betreffende structuur. Voor adviseurs is het daarom belangrijk om verzoeken om informatie, contacten met bestuurders, bewaarders en andere betrokkenen zorgvuldig vast te leggen. Juist die documentatie kan bepalend zijn voor de vraag of een informatiebeschikking standhoudt.
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2718; Rechtbank Gelderland 15 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:2061; artikel 47 AWR en artikel 52a AWR.
NB: Tevens (in aangepaste vorm) gepubliceerd in het Fiscaal Advies Magazine