De Hoge Raad heeft op 10 juli 2026 een arrest gewezen over de reikwijdte van de inlichtingenplicht in belastingzaken. De vraag was of de inspecteur een in het buitenland wonende belastingplichtige rechtstreeks om informatie mag vragen, of dat hij eerst de weg via een belastingverdrag moet volgen. Het antwoord is duidelijk: de bevoegdheid van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kent geen territoriale begrenzing. Wie niet aan een verzoek voldoet, riskeert een informatiebeschikking, ook vanuit het buitenland. Het arrest raakt de bewijs- en informatiepositie in dossiers met een grensoverschrijdende component en verdient daarom aandacht (ECLI:NL:HR:2026:1016).
De inlichtingenplicht van artikel 47 AWR
Op grond van artikel 47 AWR moet een belastingplichtige de inspecteur desgevraagd de gegevens en inlichtingen verstrekken die van belang kunnen zijn voor zijn eigen belastingheffing. Werkt iemand niet mee, dan kan de inspecteur een informatiebeschikking nemen op grond van artikel 52a AWR. Zo’n beschikking legt vast dat niet aan de inlichtingenplicht is voldaan en kan, als zij onherroepelijk wordt, leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast in een latere procedure over de aanslag. De inlichtingenplicht is dus geen vrijblijvend verzoek. Het niet of onvolledig beantwoorden ervan heeft bewijsrechtelijke gevolgen die in de kern van een fiscale procedure doorwerken.
De zaak: verhuizing naar Jersey en de uitwisselingsovereenkomst
Een vrouw verhuist in 2013 met haar partner en kinderen van Nederland naar Jersey. De inspecteur wil haar aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2008 tot en met 2014 beoordelen en vraagt haar op grond van artikel 47 AWR om gegevens. Omdat zij die niet volledig verstrekt, legt de inspecteur informatiebeschikkingen op. Vervolgens vraagt hij, langs de Tax Information Exchange Agreement (TIEA) tussen Nederland en Jersey, ook informatie op bij de autoriteiten daar. De belastingplichtige stelt dat die volgorde onjuist is. Volgens haar had de inspecteur zich niet rechtstreeks tot haar mogen wenden en had hij eerst de verdragsprocedure moeten volgen.
Het oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt dat betoog. Artikel 47 AWR is niet territoriaal begrensd, zodat het enkele feit dat iemand in het buitenland woont er niet aan in de weg staat dat de inspecteur die persoon zelf om inlichtingen vraagt. Ook artikel 4 van de TIEA met Jersey verplicht de inspecteur niet om eerst bij de autoriteiten van Jersey aan te kloppen. Er bestaat geen op territorialiteit gebaseerd beginsel dat de nationale informatiebevoegdheid opzij zet zodra er een uitwisselingsovereenkomst is. De inspecteur mag in beginsel zelf bepalen langs welke weg hij de benodigde informatie vergaart. De Hoge Raad houdt daarbij één begrenzing over: alleen wanneer het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan de uitkomst anders zijn. In deze zaak was dat niet aan de orde. De overige klachten zijn met toepassing van artikel 81 Wet RO afgedaan en het cassatieberoep is ongegrond.
Wat dit betekent voor de praktijk
Voor grensoverschrijdende dossiers bevestigt het arrest dat een verhuizing naar het buitenland de Nederlandse inlichtingenplicht niet minder klemmend maakt. Het verweer dat de inspecteur eerst de verdragsroute moet volgen, houdt geen stand. Wie een informatiebeschikking wil bestrijden, doet dat effectiever langs de band van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij spelen vragen als: is de gevraagde informatie proportioneel opgevraagd, is die werkelijk van belang voor de heffing, en is de belastingplichtige een reële termijn en voldoende gelegenheid gegund om te reageren? Dat zijn de aanknopingspunten die een informatiebeschikking kunnen raken, niet de enkele aanwezigheid van een uitwisselingsverdrag. Het arrest past in een bredere lijn waarin de onderzoeks- en informatiebevoegdheden van de inspecteur ruim worden uitgelegd en de begrenzing vooral in de zorgvuldigheid van de uitvoering wordt gezocht.
Bron: Hoge Raad 10 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1016, zaaknummer 25/00129 (artikelen 47 en 52a AWR).