Skip to main content
Formeel belastingrechtRedactioneel

Keuzevrijheid voor de ontvanger bij bestuurdersaansprakelijkheid: A-G pleit voor discretionaire ruimte

By 8 juni 2025juni 27th, 2026No Comments

De wettelijke regeling omtrent bestuurdersaansprakelijkheid is neergelegd in artikel 36 van de Invorderingswet 1990. Deze bepaling maakt het mogelijk om bestuurders van rechtspersonen die vennootschapsbelastingplichtig zijn, aansprakelijk te stellen voor bepaalde belastingschulden van de vennootschap, zoals loonbelasting, omzetbelasting en accijnzen.

De aansprakelijkheid strekt zich uit tot zowel formele bestuurders als feitelijke beleidsbepalers en geldt ook voor bijkomende bedragen als bestuurlijke boetes, invorderingsrente en vervolgingskosten.

Een belangrijk mechanisme in dit verband is de verplichting tot het tijdig melden van betalingsonmacht; bij het uitblijven van een dergelijke melding wordt vermoed dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

De formele aansprakelijkstelling vindt plaats op grond van artikel 49 IW 1990, waarin is bepaald dat de ontvanger hiertoe een beschikking moet nemen.

Tegen die beschikking staan rechtsmiddelen open, waaronder bezwaar bij de ontvanger en beroep bij de belastingrechter.

De casus

De procureur-generaal (A-G) bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie van 11 april 2025 een principieel pleidooi gehouden voor een herziening van de wijze waarop artikel 49 IW 1990 wordt uitgelegd. In het bijzonder bepleit de A-G dat de ontvanger bij bestuurdersaansprakelijkheid, na een meldingsverzuim, een discretionaire bevoegdheid heeft om te bepalen of en wie hij aansprakelijk stelt. Deze visie wijkt af van de vaste lijn van de Hoge Raad, die de aansprakelijkstelling tot op heden als een gebonden bevoegdheid beschouwt.

De casus die aanleiding gaf tot deze conclusie betreft een dga die bestuurder was van een holding, welke op haar beurt bestuurder en aandeelhouder was van een werkmaatschappij. Over de periode november 2018 tot en met februari 2019 heeft de werkmaatschappij belastingaangiften gedaan, maar de aanslagen niet voldaan. Voor deze belastingschulden werd de dga door de Ontvanger aansprakelijk gesteld. De aansprakelijkstelling werd bevestigd tot januari 2019, aangezien de dga toen nog formeel bestuurder was en geen tijdige melding van betalingsonmacht had gedaan. Voor februari 2019 verviel de aansprakelijkheid, omdat de dga op dat moment geen bestuurder meer was.

Volgens de A-G is het tijd om afscheid te nemen van de opvatting dat artikel 49 IW 1990 geen ruimte laat voor belangenafweging. Aansprakelijkstelling zou, net als andere invorderingsmaatregelen, een discretionaire bevoegdheid moeten zijn. De ontvanger zou dan eerst andere verhaalsmogelijkheden moeten afwegen voordat hij een bestuurder aansprakelijk stelt.

De A-G onderbouwt zijn visie met verwijzingen naar het systeem van de wet, de jurisprudentie en de wetsgeschiedenis, die volgens hem alle ruimte bieden voor beleidsvrijheid bij invordering. Hij wijst op de inconsistentie dat de ontvanger wel keuzes mag maken bij andere invorderingsmaatregelen, maar niet bij de formele aansprakelijkstelling.

Daarnaast besteedt de A-G aandacht aan de hardheid van de meldingsregeling uit artikel 36 lid 4 IW 1990. Hoewel het Hof van Justitie EU recent oordeelde dat deze regeling niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, signaleert de A-G toch een behoefte aan verzachting. Hij noemt onder meer de versoepeling van de verwijtbaarheidsmaatstaf, disculpatie bij geringe verwijtbaarheid, en toepassing van de Harderwijk-jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De conclusie van de A-G leidt echter niet tot een andere uitkomst. Hij adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren. Toch is zijn analyse richtinggevend. Als de Hoge Raad het betoog overneemt, ontstaat ruimte voor een meer proportionele toepassing van bestuurdersaansprakelijkheid, waarin ook omstandigheden als verhaalbaarheid en redelijkheid worden gewogen. Voor de rechtspraktijk is dit een belangrijk signaal: de ontvanger moet bij aansprakelijkstelling niet alleen de wet volgen, maar ook rekening houden met de feitelijke context.

Aansprakelijkstelling na meldingsverzuim geen automatisme meer?

Commentaar

De conclusie van de A-G onderstreept het belang van een actieve proceshouding. Wordt een cliënt aansprakelijk gesteld na meldingsverzuim, wijs de ontvanger dan gemotiveerd op omstandigheden die invordering minder passend maken, zoals verhaalsmogelijkheden elders, geringe verwijtbaarheid of disproportionaliteit. Dit kan bijdragen aan een evenwichtiger belangenafweging door de Ontvanger, zeker als de Hoge Raad de discretionaire benadering van de A-G bevestigt.

Bron: Parket bij de Hoge Raad, 25-04-2025, nr. 21/03566, ECLI:NL:PHR:2025:435

NB: Tevens (in aangepaste vorm) gepubliceerd in het Fiscaal Advies Magazine

Leave a Reply